Samenvatting uitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:4078
In deze uitspraak oordeelt het hof oordeelt dat de hoogte van een bij algemeen verbindend voorschrift vastgestelde Wahv-sanctie exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb. Het sanctietarief van € 440 voor het parkeren op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats is volgens het hof in algemene zin niet onevenredig. De concrete omstandigheden van het geval geven echter aanleiding tot matiging op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv, omdat de gedraging niet op één lijn kan worden gesteld met het ‘hufterig gedrag’ waarop de regelgever bij de vaststelling van het tarief het oog had.
Inleiding
Betrokkene kreeg een sanctie van van € 440 voor het parkeren op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Zij stelde beroep in en voerde aan dat zij als medewerkster van een nabijgelegen verzorgingshuis een mindervalide bewoner uit de auto begeleidde. Zij had abusievelijk op de gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd, mede omdat de bebording volgens haar niet duidelijk zichtbaar was. Het voertuig stond daar niet langer dan een uur (r.o. 5).
De kantonrechter achtte het sanctiebedrag van € 440 voor deze gedraging in algemene zin onevenredig hoog en matigde de sanctie daarom met 50 procent. Daar bovenop volgde een matiging van 25 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn (r.o. 2).
Het hoger beroep
De officier van justitie verzette zich in hoger beroep principieel tegen de door de kantonrechter uitgevoerde evenredigheidstoets. Volgens de officier was de kantonrechter buiten de omvang van het geschil getreden en verzette de aard van de Wahv en het daarop gebaseerde Besluit 2023 zich tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, Awb. Bovendien zou artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv reeds voorzien in een specifiek toetsingskader voor de evenredigheid van de sanctie (r.o. 3).
Het oordeel van het hof
Het hof oordeelt dat in de door de betrokkene aangevoerde gronden besloten lag dat zij, indien de sanctie niet geheel achterwege kon blijven, om matiging daarvan verzocht. De kantonrechter diende daarom de hoogte van de sanctie te beoordelen en daarbij ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (r.o. 6).
Belangrijker is het principiële oordeel dat daarop volgt. De rechter kan de door de regelgever bepaalde hoogte van een sanctie exceptief toetsen aan geschreven en ongeschreven hoger recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel (r.o. 7). De aard van het Besluit 2023 verzet zich volgens het hof niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, Awb. De regelgever is dus ook bij het bepalen van de hoogte van Wahv-sancties gehouden aan het evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat een sanctie in redelijke verhouding moet staan tot de aard en ernst van de gedraging (r.o. 8). Ook bij toepassing van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv kan de rechter beoordelen of het door de regelgever vastgestelde sanctietarief evenredig is (r.o. 9).
De praktische betekenis van die toetsingsmogelijkheid lijkt echter beperkt. Volgens het hof moet de rechter bij de beoordeling of de regelgever het evenredigheidsbeginsel voldoende in acht heeft genomen terughoudend zijn (r.o. 11). Onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719, overweegt het hof dat de regelgever over een ruime beslissingsruimte beschikt, dat bij de vaststelling van sanctietarieven politiek-bestuurlijke afwegingen een rol kunnen spelen en dat Wahv-sancties in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Daarom is de intensiteit van de rechterlijke toetsing gering (r.o. 12).
De vraag is dan wat voor een betrokkene nog nodig is om met succes de algemene evenredigheid van een sanctietarief ter discussie te stellen. Het hof onderzoekt de totstandkomingsgeschiedenis van de forse tariefsverhoging uit 2012. Het tarief voor de onderhavige gedraging werd toen verhoogd van € 180 naar € 340. De regelgever rekende het parkeren op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats tot de categorie van ‘asociale en gevaarlijke gedragingen’ en gaf met de gerichte tariefsverhogingen uitvoering aan de wens om onder meer ‘hufterigheid in het verkeer’ zwaarder te sanctioneren (r.o. 13).
Het hof leidt uit de toelichting bij het Besluit 2012 af dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuwe sanctiebedrag nog evenredig was. Vervolgens concludeert het hof dat niet kan worden gezegd dat het tarief, gelet op de redenen voor de forse verhoging, niet in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging. Daarbij overweegt het hof dat de gerechtigde op de parkeerplaats erop moet kunnen vertrouwen dat hij daar kan parkeren (r.o. 15).
Die motivering roept vragen op. Dat de regelgever in de toelichting zelf heeft gesteld dat de verhoogde boetes in redelijke verhouding staan tot de ernst van de overtredingen, betekent nog niet zonder meer dat dit ook daadwerkelijk zo is. Een exceptieve evenredigheidstoets zou aan betekenis verliezen wanneer voor het doorstaan daarvan voldoende is dat de regelgever bij de totstandkoming van het voorschrift heeft verklaard de evenredigheid te hebben meegewogen. Juist bij een verhoging van € 180 naar € 340 (bijna een verdubbeling) zou kunnen worden verwacht dat concreet wordt gemotiveerd waarom die hoogte noodzakelijk en evenwichtig is. Daarbij valt op dat de toelichting niet uitsluitend verkeersveiligheid en normhandhaving noemt, maar ook expliciet budgettaire overwegingen: de financiële opbrengsten bleven achter bij de ramingen en de gerichte verhogingen moesten binnen een vooraf bepaald budgettair kader voldoende opbrengsten genereren (r.o. 13).
Het meest interessante onderdeel van het arrest volgt echter in r.o. 17. Nadat het hof heeft geoordeeld dat het algemene tarief van € 440 de evenredigheidstoets doorstaat, beoordeelt het of de individuele omstandigheden aanleiding geven tot matiging op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv. Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene werkzaam was bij het nabijgelegen verzorgingshuis, dat zij een mindervalide bewoner uit de auto begeleidde en dat haar voertuig niet langer dan een uur op de gehandicaptenparkeerplaats heeft gestaan.
Onder die omstandigheden kan de gedraging volgens het hof niet op één lijn worden gesteld met het ‘hufterig gedrag’ waarop de regelgever het oog had bij de vaststelling van het tarief. Het hof matigt de sanctie daarom van € 440 naar € 330 (r.o. 17).
Daar signaleer ik wel enige spanning in de redenering. Het algemene sanctietarief wordt in r.o. 15 juist evenredig geacht vanwege de redenen die de regelgever had om dit tarief fors te verhogen. Een van de centrale redenen daarvoor was dat de gedraging werd aangemerkt als een vorm van ‘hufterigheid in het verkeer’. Vervolgens stelt het hof in r.o. 17 vast dat de concrete gedraging van deze betrokkene juist niet op één lijn kan worden gesteld met die hufterigheid.
Dat roept de vraag op waarom een sanctie van € 330 wel passend is. Het hof motiveert de omvang van de matiging niet. Waarom wordt bijvoorbeeld niet aangesloten bij het sanctietarief zoals dat gold voor de verhoging wegens ‘hufterigheid’? Juist nu het hof de ratio van de tariefsverhoging uitdrukkelijk betrekt bij de individuele beoordeling, zou een nadere motivering van de gekozen sanctiehoogte voor de hand hebben gelegen.
Conclusie
De uitspraak leert duidelijk dat in Wahv-zaken plaats is voor zowel een evenredigheidstoets in abstracto als in concreto. Op algemeen niveau kan de rechter het door de regelgever vastgestelde sanctietarief exceptief toetsen aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb. Daarbij past volgens het hof een terughoudende toetsing. Op individueel niveau wordt vervolgens op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv beoordeeld of de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert aanleiding geven tot matiging van de sanctie. Daarbij kan ook een rol spelen dat een sanctie is vastgesteld met het oog op een bepaald type laakbaar gedrag, terwijl de concrete gedraging daarmee niet op één lijn kan worden gesteld.